Actualiteit

Derogaties voor de afvoer van broedeieren of slachtpluimvee binnen een toezichtsgebied of een tijdelijke bufferzone

Derogaties voor de afvoer van broedeieren of slachtpluimvee binnen een toezichtsgebied of een tijdelijke bufferzone

Derogaties voor de afvoer van broedeieren of slachtpluimvee binnen een toezichtsgebied of een tijdelijke bufferzone

  1. AFVOER VAN BROEDEIEREN AFKOMSTIG VAN EEN TOEZICHTSGEBIED OF EEN TIJDELIJKE BUFFERZONE

Het vervoer van broedeieren is verboden in een toezichtsgebied of een tijdelijke bufferzone die worden ingesteld nadat hoogpathogene aviaire influenza is vastgesteld. Voor broedeieren, geproduceerd op een vermeerderbedrijf in deze zones, is een ontheffing op dat verbod nodig om deze eieren te kunnen laten afvoeren naar een broeierij, waar ze in gecontroleerde omstandigheden kunnen worden uitgebroed.

 

Behalve deze afwijking, kunnen broedeieren ook verwerkt worden in een eierbrekerij (inrichting voor de bereiding van eiproducten zoals bepaald in hoofdstuk II, sectie X van bijlage III van de verordening (EG) nr. 853/2004). Dit kan onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor consumptie-eieren die worden afgevoerd vanuit legbedrijven in deze zones.

 

Algemene organisatie

 

Een bedrijf, dat gelegen is in een toezichtsgebied of in een tijdelijke bufferzone en dat zijn broedeieren wil laten afvoeren naar een broeierij, richt eenmalig per mail een aanvraag aan zijn LCE (pri.xxx@favv-afsca.be, met xxx de afkorting van de betrokken LCE). De LCE evalueert de aanvraag en zendt de operator een antwoord binnen de 24h.

 

Voorwaarden

 

De aanvraag voor een ontheffing moet de volgende informatie vermelden:

  • de (gewenste) datum van begin van de afvoer,
  • de frequentie van ophaling,
  • het verwachte gemiddelde aantal eieren per ophaling,
  • de broeierij van bestemming,
  • wie de ophaling verzorgt,
  • via welk traject de eieren naar de broeierij afgevoerd worden.

De volgende werkwijze is van toepassing op het vermeerderbedrijf dat een derogatie heeft ontvangen:

 

  • De afvoer van broedeieren kan starten ten vroegste 24h na het ontvangen van de goedkeuring van de LCE.
  • De broedeieren mogen enkel afgevoerd worden naar de in de derogatie opgegeven broeierij, hetzij een eierbrekerij.
  • Bij elke afvoer van broedeieren naar de broeierij wordt het aanwezige pluimvee in de 24 uur voordien klinisch onderzocht door de bedrijfsdierenarts. De dierenarts:
    • rapporteert en dagtekent zijn bevindingen op de fiche waarop de pluimveehouder de productieparameters van de betrokken toom bijhoudt;
    • rapporteert zijn bevindingen d.m.v. het document in bijlage 1 aan de LCE (pri.xxx@favv-afsca.be; zie hoger) en aan de betrokken broeierij.
  • Er mag enkel wegwerpverpakking gebruikt worden voor het vervoer van de eieren.
  • Het transport naar de broeierij moet rechtstreeks en zonder tussenstop gebeuren (1 op 1 vervoer).
  • Het correct en duidelijk ingevulde document in bijlage 1 vergezelt het vervoer naar de broeierij.
  • De 4 dagenregel geldt voor alle betrokken voertuigen, materiaal en personen, behoudens uitzonderingen toegestaan door het FAVV.

De volgende werkwijze is van toepassing op een broeierij die de betrokken broedeieren ontvangt:

 

  • De broeierij bevestigt de goede ontvangst van de eieren door het vervoerdocument, dat de eieren vergezelt, aan te vullen en per mail aan de LCE (pri.xxx@favv-afsca.be; zie hoger) over te maken.
  • De broeierij ontsmet de broedeieren.
  • De traceerbaarheid van de eieren moet verzekerd zijn. De eieren moeten zo geïdentificeerd worden, dat het pluimveebedrijf van oorsprong gekend is.
  • De broeierij houdt broedeieren afkomstig vanuit een beperkingsgebied duidelijk en strikt gescheiden van broedeieren van buiten dergelijke beperkingsgebieden, zowel op het niveau van de opslag als het uitbroeden.
  • De eendagskuikens, afkomstig uit de broedeieren uit een beperkingsgebied, kunnen enkel op nationaal grondgebied worden afgezet.

Toepassing

 

Deze instructie is van toepassing vanaf haar activatie door het FAVV voor het betrokken toezichtsgebied of de betrokken tijdelijke bufferzone. Ze blijft van toepassing tot het opheffen van deze zone.

 

  1. SLACHTEN VAN PLUIMVEE AFKOMSTIG VAN EEN TOEZICHTGEBIED OF EEN TIJDELJKE BUFFERZONE

Het verplaatsen van pluimvee is verboden in een toezichtsgebied en een tijdelijke bufferzone die worden ingesteld nadat hoogpathogene aviaire influenza is vastgesteld. Voor pluimvee, dat bestemd is voor de vleesproductie, is een ontheffing op dat verbod nodig om te vermijden dat de wettelijke normen op het vlak van dierenwelzijn in het gedrang komen door het verplaatsingsverbod.

 

Algemene organisatie

 

Een bedrijf, dat gelegen is in een toezichtsgebied of in een tijdelijke bufferzone en dat zijn vleespluimvee wil laten slachten, richt per mail een aanvraag aan zijn LCE (pri.xxx@favv-afsca.be, met xxx de afkorting van de betrokken LCE) ten minste 72h voor de voorziene slachtdatum. De LCE evalueert de aanvraag en zend de operator een antwoord binnen de 24h.

 

Voorwaarden

 

Alle vleespluimvee van het betrokken pluimveebedrijf moet worden weggehaald binnen de twee werkdagen volgend op de eerste dag van laden. De aanvraag voor een ontheffing moet de volgende informatie vermelden:

 

  • de datum van afvoer,
  • het aantal en type pluimvee,
  • het slachthuis van bestemming,
  • het traject dat gevolgd wordt.

De volgende werkwijze is van toepassing op het pluimveebedrijf dat een derogatie heeft ontvangen:

 

  • Het op het bedrijf aanwezige pluimvee wordt door de bedrijfsdierenarts klinisch onderzocht in de 24 uur voor het vertrek naar het slachthuis. De dierenarts:
    • rapporteert en dagtekent zijn bevindingen op de fiche waarop de pluimveehouder de productieparameters van de betrokken toom bijhoudt;
    • rapporteert zijn bevindingen d.m.v. het document in bijlage 1 aan de LCE (pri.xxx@favv-afsca.be; zie hoger) en aan het betrokken slachthuis.
  • De pluimveehouder noteert in zijn bezoekregister alle gegevens van de personen (vangploeg, vervoerder, helper, …) en voertuigen (trekker, oplegger, persoonlijke voertuigen, …) betrokken bij het uitladen. Hij noteert daarbij voor elke persoon de naam, de voornaam en de firma (of adres van de persoon indien niet verbonden aan een firma) en voor elk voertuig de nummerplaat of -platen.
  • De pluimveehouder garandeert een correcte toepassing van alle verplichte bioveiligheidsmaatregelen door alle betrokkenen, in het bijzonder op het vlak van het dragen van bedrijfskledij of wegwerpkledij, het toepassen van hygiënemaatregelen en de verplichte reiniging en ontsmetting van heftrucks/loaders (voor en na het laden) en van de wielkasten en banden van de voertuigen.

De volgende regels gelden bij het opladen en vervoeren van het betrokken pluimvee:

 

  • Het laden van pluimvee door een vangploeg kan enkel als laatste activiteit van de werkdag voor de vangploeg.
  • De vangploeg respecteert strikt alle regels omtrent bioveiligheid. Ze volgt daarbij alle richtlijnen op die de pluimveehouder oplegt.
  • Het vervoer naar het slachthuis gebeurt rechtstreeks en zonder halt te houden (1 op 1 vervoer). Het correct en duidelijk ingevulde document in bijlage 1 vergezeld het vervoer naar het slachthuis. Per vrachtwagen wordt een apart document opgemaakt.
  • De 4 dagenregel geldt voor alle betrokken voertuigen, materiaal en personen, behoudens uitzonderingen toegestaan door het FAVV.

De volgende regels gelden voor een slachthuis dat de betrokken dieren slacht:

 

  • De dierenarts-keurder van het slachthuis bevestigt de aankomst van het pluimvee per mail aan de LCE (pri.xxx@favv-afsca.be; zie hoger).
  • De dieren worden als laatste geslacht (einde van de dag).
  • Het pluimvee, afkomstig uit een toezichtsgebied of een tijdelijke bufferzone, kan niet in contact komen met pluimvee van buiten deze zones. Het pluimvee moet dus aan het eind van de dag in het slachthuis aankomen.
  • De containers, die worden ingezet voor pluimvee dat wordt uitgeladen, worden tweemaal gereinigd en ontsmet alvorens opnieuw gebruikt te worden, nl.:
    • een eerste keer door de was-en ontsmettingsstraat (automatische reiniging en ontsmetting);
    • een tweede keer door een manuele reiniging met behulp van een hoge drukreiniger en door een ontsmetting met behulp van een rugsproeier of mobiel unit.
  • Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de reiniging en ontsmetting van de betrokken voertuigen

Toepassing

 

Deze instructie is van toepassing vanaf haar activatie door het FAVV voor het betrokken toezichtsgebied of de betrokken tijdelijke bufferzone. Ze blijft van toepassing tot het opheffen van deze zone.
 

Bron: FAVV – Foto: Shutterstock
 

Te vinden in: Alle categorieën , Braadkippen , Wetgeving , Moederdieren - Broeierij , Dierengezondheid